De Fuji berg. Het hoogste punt van Japan. Al van bij mijn aankomst, bijna 2 en een halve maand geleden, was het beklimmen van deze vulkaan één van de zaken die op mijn verlanglijstje stonden.
Het officiële klimseizoen is van 1 juli tot 31 augustus, wanneer het grootste deel van de sneeuw is verdwenen. Dan komt het gros van de 200.000 mensen af die jaarlijks Fuji-san willen overwinnen (er wordt niets gezegd over het aantal dat er effectief in slaagt). In ieder geval: een massa volk voor 1 berg. Op het internet had ik al horror-verhalen gelezen over beklimmingen in de stijl van de processie van Echternach: 3 stappen vooruit, 2 minuten wachten.
Met een gigantische slaapkop (dankzij Duitsland-Argentinië) nam ik ’s ochtends vroeg de trein richting Kamaguchiko, een van de stadjes aan de voet van Fuji. Om dan een bus te nemen tot het “fifth station” op ca. 2200m. Het plan was om in 6-7 uur tijd over en weer tot de top te gaan, om dan nog de laatste bus en trein appartementswaarts te pakken te krijgen.
Er was relatief weinig volk: het was de eerste dag van het klimseizoen en veel mensen doen de beklimming pas bij valavond (om, na een overnachting in één van de gites onderweg, de zonsopgang op de top mee te maken). Misschien speelde het weer ook wel mee: mistig en rukwinden.
Ik had nog nooit zo’n uitgebreid gemarkeerd bergpad gezien. Bijna overal afgebakend, met om de 5 meter een bord dat zegt “watch your step”, “don’t throw rock” of “danger, falling rock”. En met op regelmatige afstanden stations alwaar je iets kon eten en drinken of waar je kon overnachten.
De rage voor de toeristen hier is het kopen van een wandelstok met 2 bellekes aan en een Japanse vlag. Per station dat je overwint, kan je (mits betaling) een stempel laten branden. Dan koos ik toch voor een gebrandmerkt gedenkplaatje dat ik op de top kon kopen. Veel praktischer dan zo’n onhandige, blaren-veroorzakende stok!
Al bij al was het een behoorlijk monotone beklimming, wat te verwachten is van een met (kleine) rotsen bezaaide vulkaan. Maar omdat die vulkaan echt zo mooi in het landschap staat, omdat het een icoon is in de teken- en schilderkunst en omdat het gewoon het hoogste punt is van Japan, is het een “must”.
Uiteindelijk heb ik 3 uur 3 kwartier nodig gehad voor de klim. Met dank aan een inzinking tussen het negende en tiende (=laatste) station. Het was geleden van vorig jaar, zaterdag 22 juli, dat ik nog zo’n klop had gekregen (in Spanje). Een combinatie van hoogte, te snel gestart zijn, een te zware rugzak, een te korte nacht daarvoor en misschien een tekort aan conditie/voorbereiding.
In Japan zeggen ze: “je moet een idioot zijn wanneer je de Fuji niet wil beklimmen en je moet een idioot zijn om het een tweede keer te willen doen.” Hoe toepasselijk vond ik die uitspraak op dat moment.
Op de top heerste koning wind. Ik kan me niet herinneren al ooit dergelijke rukwinden te hebben meegemaakt. In combinatie met de vochtige mist was het onmogelijk rond de krater te wandelen. Na een kort gesprek met een Amerikaan, die enkele maanden in Japan was voor environmental studies, nam ik dan ook vlug het steengruispad naar beneden. 2 uur schuiven. Hier heb je echt wel stevig schoeisel voor nodig, wil je nog iets van schoen over hebben wanneer je beneden komt.
In ieder geval: het was een klim die, om diverse redenen, heel veel voldoening gaf.
O ja, wat met het plan om alles op 1 dag te doen? Dat was zeker haalbaar. Maar niet afgelopen weekend. Ik heb geen zin om opnieuw met gal en vitriool te spuwen op het openbaar vervoer: tussen ons is het alleen maar een verstandshuwelijk. En wanneer ik terug in België ben, ga ik mijn wagen een dikke kus geven!